VMR blokje




Kennis­netwerk voor milieu-, water- en natuur­beschermings­recht 

Indonesie stapt naar de WTO om palmolie: wat kan Indonesiƫ bij de WTO voor elkaar krijgen?

Geplaatst op 06-11-2020  -  Categorie: Columns Mondiale duurzaamheid en recht  -  Auteur: Laurens Ankersmit

Op 18 maart dit jaar verzocht Indonesië het geschillenorgaan van de WTO (de Dispute Settlement Body ‘DSB’) om een panel een uitspraak te laten doen over de verenigbaarheid van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen in Richtlijn 2018/2001 (de zogeheten ‘RED II’). De richtlijn en de gedelegeerde verordening 2019/807 van de Commissie bepalen dat enkel bij palmolie een hoog risico bestaat voor ontbossing door indirecte veranderingen in landgebruik ("ILUC").  Daarmee wordt het gebruik van palmolie in de periode 2023-2030 gefaseerd afgebouwd als biobrandstof in de EU. Indonesië is de grootste producent van palmolie ter wereld en had al herhaaldelijk gedreigd naar de WTO te stappen over de regels (president Widido omschreef de regels als een ‘act of trade war’). Tegelijkertijd is de WTO in een crisis verzeild geraakt omdat de Verenigde Staten de beroepsinstantie van het DSB, de ‘Appellate Body’, heeft lamgelegd door benoemingen van nieuwe leden tegen te houden. Dit biedt de gelegenheid om nader in te gaan op wat nu precies de mogelijke gevolgen zijn van de zaak die Indonesië heeft aangespannen voor de EU duurzaamheidscriteria.

Vooropgesteld: het is niet aannemelijk dat de EU deze zaak zal verliezen maar het is niet uit te sluiten dat de EU aanpassingen zal moeten doorvoeren mocht de Commissie ervoor kiezen om niet in beroep te gaan. In het verleden heeft de DSB in vergelijkbare zaken geoordeeld dat dergelijke regels na enkele aanpassen in overeenstemming waren met de WTO verdragen. Toch wordt door tegenstanders van milieuregels met een handelsimpact vaak geschermd met mogelijke onverenigbaarheid met het WTO recht. Een procedure bij de DSB biedt Indonesië de mogelijkheid om namens zijn palmolie industrie druk te zetten op de EU regels en mogelijk hier en daar wat aanpassingen te realiseren.

Echter, zelfs al zou Indonesië de zaak winnen dan nog is niet gezegd dat de EU ook daadwerkelijk zijn regels zal hoeven aan te passen, veel is afhankelijk van of de EU dat zelf wil. De DSB kan regels van de leden van de WTO niet ongeldig verklaren. De DSB kan slechts aanbevelingen doen aan een lid om zijn regels aan te passen overeenkomstig het rapport van een panel. En zelfs bij een aanbeveling aan de EU om zijn regels aan te passen, heeft de EU drie mogelijkheden om deze aanbevelingen naast zich neer te leggen.

  • Ten eerste kan de EU in beroep gaan bij het Appellate Body. Door de boycot van benoemingen functioneert deze instantie momenteel niet. De facto komt een dergelijk beroep neer op een veto, temeer Indonesië (maar ook Maleisië) zich niet heeft aangesloten bij het initiatief van de EU om een ‘multi-party interim appeal arrangement’ (MPIA) op te richten ter vervanging van de Appellate Body (15 leden hebben zich hierbij aangesloten).
  • Mocht de EU niet in beroep gaan en ook zijn regels niet willen aanpassen, dan kan de EU onderhandelen over een compensatieregeling voor Indonesië die de aantasting van de economische voordelen van het WTO verdrag compenseren. De EU deed dit al eens voor het verbod op hormoonvlees uit de VS.
  • Tot slot kan Indonesië als de bovengenoemde opties niet worden gerealiseerd, aan de DSB vragen om een deel van de handelsconcessies die Indonesië heeft gedaan aan de EU op te schorten, bijvoorbeeld door de invoertarieven voor kaas te verhogen. De DSB moet hier wel mee akkoord gaan.

De laatste twee opties zijn in principe bedacht als tijdelijke opties om een WTO lid ertoe te bewegen zijn regels aan te passen, maar uiteindelijk is het wel aan de EU zelf om daarvoor te kiezen.