VMR blokje




Kennis­netwerk voor milieu-, water- en natuur­beschermings­recht 

Grensoverschrijdende milieuschade en mensenrechten

Geplaatst op 17-05-2018  -  Categorie: Columns Mondiale duurzaamheid en recht  -  Auteur: Marieke Koekkoek

Voorkomen grensoverschrijdende milieuschade in relatie tot bescherming van mensenrechten

Een mogelijk nieuwe basis voor de extraterrioriale bescherming van mensenrechten

Het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens (Hof) bracht afgelopen februari een advies uit (Advisory Opinion) over de reikwijdte van verplichtingen van Staten die partij zijn bij het Amerikaanse Verdrag inzake Mensenrechten (American Convention for Human Rights, ACHR).[1] De zaak draaide om grensoverschrijdende milieuschade aan het mariene milieu van het Caribisch gebied, veroorzaakt door infrastructurele werken. De constructie werken die werden uitgevoerd in het gebied hadden negatieve consequenties voor het koraal en de biodiversiteit. De bewoners van het gebied zijn grotendeels afhankelijk van dit mariene milieu om te voorzien in hun levensonderhoud. Daarom verzocht Colombia het Hof om een advies over de relatie tussen de bescherming van mensenrechten en het toebrengen van grensoverschrijdende milieuschade.

Het advies richtte zich op de vraag of de rechten van het verdrag van toepassing zijn op het individu die de gevolgen van de milieuschade moet ondergaan, terwijl de persoon zich buiten het territorium van de Staat bevindt.[2] Het Hof concludeerde dat het verdrag van toepassing is, zelfs als diegene enkel valt onder de autoriteit, verantwoordelijkheid of effectieve controle van een Staat.[3]

Ter onderbouwing van deze conclusie paste het Hof een innovatieve redenatie toe. Het Hof refereerde aan de internationale verplichting van Staten om grensoverschrijdende milieuschade te voorkomen.[4] Het niet uitoefenen van voldoende zorgvuldigheid door de Staat werd geacht een schending te zijn van het recht op leven en het recht op persoonlijke integriteit. Dit kan worden toegerekend aan de Staat omdat deze heeft nagelaten voldoende maatregelen te treffen om de schade te voorkomen.[5] Het Hof accepteerde hiermee een basis voor extraterritoriale rechtsmacht, zelfs wanneer een Staat geen fysieke controle uitoefent over het territorium waar de activiteiten hebben plaatsgevonden of over de getroffen individuen. Het enkele feit dat een Staat kennis heeft van de risico’s van een activiteit en nalaat voldoende voorzorgsmaatregelen te treffen om grensoverschrijdende milieuschade te voorkomen werd geaccepteerd als basis voor extraterritoriale rechtsmacht.[6] Althans, in die gevallen waar de bescherming van mensen- en milieurechten in het geding zijn.[7]

De verplichting om grensoverschrijdende milieuschade te voorkomen wordt normaliter beperkt tot het internationaal milieurecht.[8] Door nu een directe relatie tussen deze verplichting en de bescherming van mensenrechten te leggen, lijkt het Hof een nieuwe (ruimere) interpretatie van het personaliteitsbeginsel te accepteren.[9] Toch blijven er na dit advies nog vragen onbeantwoord. Zo is het onduidelijk of de extraterritoriale bescherming ook geldt voor mensenrechten waar een inspanningsverplichting voor Staten geldt (in tegenstelling tot enkel mensenrechten die ten alle tijde gerespecteerd moeten worden).[10] Toekomstige zaken zullen moeten uitwijzen of het advies van dit Hof meer algemeen van toepassing blijkt en zo een nieuwe basis voor extraterrioriale rechtsmacht kan vormen.

Deze column is geschreven door Marieke Koekkoek, Leuven Center for Global Governance Studies.

 

[1] Inter-American Court H.R., 'The Environment and Human Rights (State obligations in relation to the environment in the context of the protection and guarantee of the rights to life and to personal integrity – interpretation and scope of Articles 4(1) and 5(1) of the American Convention on Human Rights)', Advisory Opinion OC-23/17 of November 15, 2017. Series A No. 23 (Advies). http://www.corteidh.or.cr/docs/opiniones/seriea_23_esp.pdf.

[2] Paragrafen 35, 38 Advies.

[3] Paragraaf 73 Advies.

[4] Mits er een causaal verband bestaat tussen de uitgevoerde activiteiten in de ene Staat en de geschonden mensenrechten van het individu buiten het territorium van de Staat. Zie paragraaf 101 Advies.

[5] Paragraaf 140 Advies.

[6] Paragraaf 103 Advies.

[7] Paragraaf 81 Advies.

[8] The Trail Smelter Arbitration case (United States vs. Canada) 1941, U.N. Rep. Int'L Arb. Awards 1905 (1949). Inmiddels is dit principe geaccepteerd als een regel van internationaal gewoonterecht, zie Case concerning the Gabčíkovo-Nagymaros Project [Hungary/Slovakia] [1997] ICJ Rep 7, 41

[9] Het personaliteitsbeginsel houdt in dat individuen onder bepaalde voorwaarden onder de rechtsmacht van een Staat vallen, zelfs als deze zich niet in het territorium van die Staat bevinden. Harvard Research on International Law: 'Jurisdiction with Respect to Crime', American Journal of International Law Vol.29, Supplement 1 (1935), p. 445 en verder.

[10] Dit verschil wordt ook wel aangeduid als primaire en secundaire mensrechten. Primaire mensenrechten zijn negatief geforumuleerd en beschermen de burger tegen de Staat. Voorbeelden zijn het recht op leven of het recht om niet onderworpen te worden aan marteling. Secundaire rechten zijn positief geformuleerd en gericht op de sociale, economische en politieke ontwikkeling van individuen. Hiervoor geldt een inspanningsverplichting; Staten worden niet afgerekend op het al dan niet behalen van doelen maar op de vraag of voldoende inspanning is geleverd om tot het doel te komen. https://unchronicle.un.org/article/international-human-rights-law-short-history.