Kennisnetwerk en discussieplatform
Het op 11 februari van dit jaar uitgebrachte rapport Effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten van de Universiteiten Leiden en Utrecht, in opdracht van het WODC, wekt tevredenheid en teleurstelling tegelijk. Het rapport stemt de lezer tevreden om wat het is, namelijk een grondige studie. Mijn enige kanttekening is dat ik altijd beducht ben dat de strafcomponent ‘effectiviteit’ de normatieve component van de straf wel heel sterk in de schaduw kan zetten.
Het rapport roept daarentegen een teleurgesteld gevoel op door wat het ziet :
‘Dit onderzoek bevestigt dat de strafrechtelijke handhaving in het milieudomein tekortschiet. Hoewel het bestaande sanctiearsenaal juridisch toereikend is, wordt het in de praktijk beperkt toegepast door praktische problemen zoals capaciteitstekorten, trage procedures, gebrekkige informatievoorziening en moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging.’
Daar zit je dan, als oudgediende in het milieustrafrecht die in elk geval heeft geprobéérd om te helpen dit terrein vitaal te maken. De kritiek is helaas niet nieuw en niet alleen het milieustrafrecht moet wakker liggen. In de afgelopen jaren is al talloze malen geschreven dat het strafrecht ook op zijn klassieke onderwerpen een zorgenkind is geworden. En buiten het strafrecht staat het Nederlandse rechtssysteem eveneens een behoorlijk eind af van de wapenspreuk ‘Ik zal handhaven’ onder maar liefst drie imponerende leeuwen. Dat blijkt recent weer uit de noties die de Algemene Rekenkamer aan 54 (!) van haar onderzoeken ontleent. Haar rapport Door de mazen van toezicht en handhaving. Rode draden uit 12,5 jaar onderzoek van 14 oktober 2025 kreeg helaas minder aandacht dan het verdient.
Hoe de problemen aan te pakken ? Ik waag mij hier niet aan een beschouwing over de ‘hardware’ van capaciteit, middelen en organisatievormen. Maar ik breek graag een lans om aan de ‘software’ van het systeem meer aandacht te geven. Het is mijn stellige overtuiging dat het nadenken over de zin en betekenis van de sanctie te lang achterwege is gebleven. Ik ben blij dat ik daarover aan de Leids-Utrechtse onderzoekers als ‘respondent’ mijn mening mocht geven. Een punt daaruit wil ik graag naar voren halen.
Vaak wordt gezegd dat de stillegging van de ‘onderneming waarin het delict is begaan’ (artikel 7 onder c Wet op de economische delicten) een zeer effectieve straf is. Ongetwijfeld. In haar Odfjell-vonnis van 3 december 2013 overweegt de rechtbank Rotterdam dat voorwaardelijke gehele stillegging van het bedrijf ‘in beginsel passend is en mogelijk ook een efficiënt middel om te voorkomen dat de rechtspersoon zich gedurende de gevorderde proeftijd wederom schuldig zal maken aan strafbare feiten als de onderhavige (ECLI:NL:RBROT:2013:9492).’
Maar wie A zegt, moet indien nodig ook B zeggen en op de voorwaardelijke stillegging kan de onvoorwaardelijke volgen. Die zou echter bij zo’n groot bedrijf een buitengewoon gecompliceerde opdracht zijn, ook al omdat het in een enorme keten functioneert. De vraag is of die straf, als zij al wordt opgelegd, überhaupt ten uitvoer kan worden gelegd. Intussen worden er wel met enige regelmaat stilleggingen opgelegd en uitgevoerd in zaken van oudere boeren die niet goed meer in staat zijn om hun vee te verzorgen en daardoor de regels voor dierenwelzijn overtreden.
Dat verschil tussen groot en klein geeft mij een ongemakkelijk gevoel. Betekent het inderdaad dat de wettelijke strafbedreiging van stillegging niet geldt voor alle economische rechtssubjecten ?
Ik hoop zeer op een debat over sanctionering als aspect van regelstelling, met de twee rapporten als belangrijke elementen daarin.
Auteur: Rob de Rijck, milieuofficier van justitie Functioneel Parket en lid van de VMR Werkgroep milieucriminaliteit